Reportage: Straatvissers

Het Volkskrant-artikel van 3 augustus dat Carel Helder en ik schreven over vissende jonge jongens aan het IJ. Werpt u mee?

STRAATVISSERS

Nieuw in het straatbeeld van de grote stad: hippe jongens die hun hengel met carbontopje uitwerpen, liefst ’s nachts. Drie vissers over wat hen bezielt. 

(klik voor groot)
(klik voor groot)

‘Deze is ook cool.’ Hessel klikt op zijn grote Apple een filmpje aan. Parijse jongens in hiphoptenue halen grote baarzen uit het water. Le street fishing, zeggen de Fransen. Daarna klikt hij door naar Frontsidefly.com: gelikte beelden van snowboarders en vissers. Overweldigende natuur, jongens met baarden. ‘Zij snappen het gewoon. Deze gasten verkopen ook koffie. Snap je?’ Sowieso één keer per week gaat hij naar het IJ om te vissen, in deze mooie weken vaker. ‘In de winter ook weleens, maar dan is het gewoon fucking koud en haal je bijna niks binnen.’ Hij zet de computer uit. ‘Dan hoeft het voor mij niet zo.’

Hessel Stuut (27) is Amsterdammer, freelancevideomaker, ontwerper en drummer. Ragfijne, lichtgewicht werphengels staan klaar in de hoek van de kamer. Slicke molentjes, gevlochten draad van 8/100ste op de spoel, aan het eind een flieberig kunstvisje, 20 centimeter daaronder nog een loodje van een gram of 15. Meestal gaan ze met zijn tweeën of drieën op pad.

Jasper Passtoors (29), student industriële ecologie, leent vandaag een hengel van Hessel. Jasper komt net uit een meeting, ‘net even te formeel om mijn hengel mee naar toe te nemen’. De derde visvriend, Wonko Limborgh, is 43 maar ziet er jong uit. Hij is sales manager bij een chic bedrijf en heeft de mooiste hengel. Niettemin: ‘Van hen gekregen.’ Een 2 meter 40 lange Reins is het. Hij kostte 240 euro, het carbontopje is zo dun dat het haast onmerkbaar in de draad overgaat. Hier voel je alles mee, laat Wonko weten. ‘Elk steentje op de bodem, elke aanbeet. Als er hier een aan hangt… Vissers zeggen: dan heb je wel sport.’ Dat is heel wat anders, verduidelijkt hij, ‘dan vis met een stijve stok aan een dikke draad naar binnen slepen’. Hij vertelt over de vissen die ze samen vingen. De handen gaan ver uit elkaar.

Je ziet ze steeds meer: jongeren die op hippe feesten niet misstaan, stropen met een rugzakje op de waterkanten de stad af, vaak tot ver na middernacht. Als hobby is het ook wel te doen: voor nog geen 100 euro heb je een heel behoorlijke hengel met molen; voor 30 euro een visvergunning. Dan mag je een jaar in de Nederlandse wateren vissen. En af en toe een rolletje draad of wat kunstaas; het schepnet delen ze.

Vissen is hip, of hoe zeggen die jongens dat. De visverenigingen groeien; televisieprogramma’s als River Monsters en VisTV worden goed bekeken. Laatst was er een vijf uur durende, live uitzending. Volgens Hessel is het in landen als Duitsland en Zweden ‘supernormaal’ om te vissen. ‘Daar ben je helemaal geen nerd. Vissen is een traditie, hier snapt bijna niemand het.’

Jasper dekt zich nog even in voor ze op pad gaan. Hij is de slechtste visser, zegt hij. ‘Maar ik doe het ook niet vaak, eens in de maand, en de laatste keren ving ik niks.’ Hij grijnst. ‘Dus ik sta op scherp vandaag.’

Moet je niet gewoon geluk hebben? Jasper: ‘Er komt een hoop techniek bij kijken. Het is niet per se heel makkelijk.’ Hessel knikt. ‘Het gaat niet om geluk, het zijn altijd dezelfden die een viswedstrijd winnen.’ Over twee dagen doen hij en Wonko aan een wedstrijd mee. Uit het hele land komen teams naar het IJ. ‘Zelfs uit Frankrijk.’ De hoofdprijs bestaat uit 1.000 euro aan visspullen. Een thuiswedstrijd, vindt Wonko. Maar dat is zaterdag.

Ze rijden op ouderwetse, opgeknapte racefietsen. De avondwind is warm, de hengels rusten op het stuur, achter het Centraal Station klotst het water zachtjes tegen de oever.

Drop shot, is het wat ze doen. Recht tegenover het Eye Filmmuseum schuimen ze de kade af. Uitgooien, wachten tot het loodje op de grond ligt, beugel van de molen dichtklappen en dan langzaam binnenhalen. Om de paar seconden geven ze twee kleine rukjes aan het aas, zodat het kunstvisje, een soort nepspiering, gaat ‘zwemmen’.

‘Als je een tik voelt op je hengel, sla je aan.’ Ze worden stiller en stiller. Verwachting aan beide zijden van de lijn, schreef Tommy Wieringa, ook een visser. Het water is diep, verderop varen pontjes af en aan, twee vliegtuigen trekken een wit kruis boven Amsterdam. Zo gaan er tien minuten voorbij, twintig, een half uur. Het schepnet blijft droog, als het ze te lang duurt springen ze op hun fiets en zoeken een andere stek op.

Het gaat ‘op gevoel’. Hessel heeft de hengel vast als een pistool. Hij richt de punt naar het wateroppervlak en loopt langs de oever. Wonko: ‘Het leuke is: dit is actief vissen. In tegenstelling tot aan de wal zitten en naar een dobber turen.’ Hoewel ze op snoekbaars jagen, vangen ze vaak van alles. ‘Ook baars, snoek, witvis, brasem, harder, winde, bot, gullen, krabben.’ Snoek hebben ze er niet graag aan: ‘Die breekt je lijn.’ Dat is een minder prettig verhaal, vindt Wonko. ‘Dan zwemt zo’n beest rond met een haak in zijn bek. Maar hij schijnt eruit te zweren.’ Hij zegt dat hij nog nooit een vis met een haak erin heeft gevangen. ‘Dus zou het kunnen.’ Aandachtig kijken ze naar de topjes van hun hengels.

Hessel: ‘Doordat je het loodje over de grond trekt, weet je in elk geval wat van de bodem.
Jasper: ‘Je visualiseert wat er onder water gebeurt.’
Wonko: ‘Tegen de taludjes zitten de snoekbaarzen.’
Jasper: ‘Soms voel je een mosseltje ofzo.’
Wonko: ‘Wil jij een biertje?’

Het zijn bereidwillige jongens, ze vinden het niet vervelend af en toe een vraag te beantwoorden. Over de wind, bijvoorbeeld. ‘Als de wind van je af is, is de stroming naar je toe. De snoekbaars ligt met de kop naar de stroming.’ Voor het IJ gaat dat weer niet op: ‘Hier heb je te maken met sluizen en boten.’ Wonko: ‘Daar heb je lantaarnpalen, die schijnen straks op het water. Daar komt de vis op af, dat is geheid vangen.’ Bij de ponten, vertelt hij, raken kleine visjes gedesoriënteerd door de wervelingen die de schroef veroorzaakt. ‘Dan begint de snoekbaars toe te happen.’ Weg is hij weer. ‘Je moet dénken als een snoekbaars.’

Hessel houdt zijn ogen geen moment van zijn lijn, maar vertelt uitgebreid dat hij het als kind leerde van zijn opa. Daarna ging hij er met een vriendje op uit. ‘Op onze fietsjes naar alle plekken waar ze zouden kunnen zitten. In de eerste jaren met een blikje Fanta, later met een blikje bier.’

Toen niemand in zijn omgeving viste, hield Hessel ermee op. ‘Ik schaamde me als ze me zagen zitten.’ Tijdens een vakantie in Canada kwam het gevoel definitief terug. Een oude zalmvisser gaf hem zelfgemaakte kunstvliegen en imitatiegarnalen. ‘De zalm’, zegt hij, ‘is een magische vis.’ Na een lange nacht waarin hij van opwinding wakker lag, sloop hij naar de waterkant. ‘Het was nog fris, licht bewolkt, en het gras was vochtig van de dauw. Zonder geluid te maken, stapte ik op de kiezels met de hengel in mijn hand. Op het kalme zeewater lag een dekbed van mist.’ Daar stond hij, helemaal alleen in het enorme landschap. Tien meter verderop keek een zeehond hem aan.

Over het waarom van het vissen heeft Hessel vaak nagedacht: omdat hij dan tot rust kan komen zonder stil te zitten, om in de natuur te staan en het gevoel te hebben dat hij er deel van uitmaakt. ‘Het relativeert, inspireert en maakt het makkelijk om hersenspinsels in perspectief te plaatsen. Alle zintuigen staan op scherp, er zijn momenten van uiterste concentratie op de beweging van de hengel en diepe focus op het water en de omgeving.’ Zijn blik blijft naar beneden gericht, het drukke verkeer raast vlak achter hem langs.

Toch is het ook hier lauw loene. Tot in de verte een kreet klinkt – nee, twee. Wonko’s hengel staat krom als een hoepel, hij zwaait hem op en neer, het topje zwiept boven de hoofden van de voorbijrazende fietsers. ‘Wat doe je?!’, roept Hessel. Hij grijpt naar het schepnet. Ja, Wonko heeft beet. De vis is dik, rijdt op een fiets en spreekt Engels. ‘Is this yours?!’ Een dame in een bloemetjesjurk komt met haar fiets aan de hand teruglopen. Tussen duim en wijsvinger van de andere hand houdt ze een draad met een kunstvisje en een loodje omhoog. Foutje bij het ingooien. ‘Poeh’, zegt Wonko als ze weg is. ‘Ik was even bang dat mijn hengel zou breken.’

Alleen de snoekbaarzen geven dus geen sjoege. Rugzakjes op, weer op de fiets, nu staan ze tussen de riviercruiseschepen: de Amadante, de Amacello, de Aroso Aqua, de Aroja Brava, de River Queen. Aggregaten loeien, op het achterdek kijken grijze toeristen van achter reusachtige glazen rode wijn aandachtig toe. Hessels broek hangt laag, een dunne zwarte riem weerhoudt die ervan verder van zijn kont te zakken. Met zijn vrije hand veegt hij de haren uit zijn gezicht.

‘Eigenlijk moet er een stiekje in’, zegt Hessel. Hij kiest zijn viskleren met zorg: ‘Het moet er wel een beetje goed uitzien.’ Steeds vaker ziet hij jongens vissen die dit soort randzaken ook belangrijk vinden. Zijn het andere gesprekken met hen dan met de oude garde? Hij vindt van niet. ‘Het gaat toch vaak over vissen.’ Met enige trots vertelt hij over de bijnaam die ze hem hebben gegeven: De King Visser. ‘Omdat ik ook vang als niemand anders wat vangt.’ Dat hij zijn elegante vriendin een keer had meegenomen, heeft zijn reputatie geen kwaad gedaan.

Tegen half elf gaat Jasper naar huis. Te koud, niks gevangen. Hij verveelt zich. Vanuit het oosten schuift het donker over de stad, in het westen zijn de gebouwen silhouetten. Hessel: ‘Mooi zo, hè?’ Die hoogbouw links, de haven op de achtergrond. En dan die luchten. Moet je dat kleurverloop eens zien.’ Ze turen weer.

Wonko: ‘Nu komt-ie.’
‘Ik denk ook dat het gaat gebeuren.’
‘Vooral nu de zon onder is.’
‘Dat is een omslagpunt.’
‘Wat je heel vaak hebt is dat je er dan toch nog tien, twintig op een avond pakt.’
‘Ja, nu was het echt tik-tik.’
‘Waarom sla je niet dan?’
Maar het blijft een avond van drie keer niks. Ze zijn er behoorlijk flauw van.
‘Zo slecht als ze vanavond bijten.’
‘Dat komt natuurlijk alleen voor als de krant erbij is.’

Het is waar, ze vangen altijd veel. Wel wordt vis ‘voor 99 procent teruggezet’ – althans door hen. ‘Street fishing is catch and release.’ Heel soms nemen ze er een mee voor een feestje. Laatst hadden ze een snipperdag genomen en waren ze naar de pier van IJmuiden gegaan. Op hun facebookpagina’s staat een foto van een zeebaars op de barbecue. Wonko houdt van koken: ‘Dan wordt-ie met respect gefileerd en klaargemaakt.’ Niet iedereen is zo, zegt Hessel. ‘Er staat verderop iemand die alles opeet.’ Wonko: ‘Snoekbaars doet 17 euro per kilo. Veel vissers verkopen ze direct aan restaurants.’

Controleert de politie vaak op ondermaatse vis en aantallen? Hij maakt een onduidelijk handgebaar. ‘Alleen fileren sommigen meteen wat ze vangen. Dan kun je de grootte niet meer zien. En omdat je er maar twee mag meenemen, verstoppen ze de rest.’

Het wordt nacht, de wind gaat liggen. Bedenkelijk kijken ze naar de fotograaf. Hoewel Wonko ‘liever ergens staat waar het rustig is’, vertrekken ze naar de laatste stek, de steiger waar de ponten aan- en afmeren. Het is een van de drukste plekken op dit uur, de kade staat vol met terugkerend uitgaanspubliek.

Wonko, beweeglijk, laat zijn aas in het spiegelende water naast een dukdalf zakken, geeft twee kleine rukjes aan zijn lijn, dan slaat hij zijn hengel razendsnel omhoog, die buigt door, hij draait aan zijn molentje, de slip ratelt, de draad schiet in scherpe hoeken heen en weer; het is eindelijk raak, de vis is sterk en klapt met zijn staart op het water. Hessel ligt op zijn buik met het schepnet, van alle kanten stromen mensen toe.

Een paar minuten duurt het gevecht, tot Wonko het vermoeide beest geroutineerd boven het net sleept. Even later glimt een slanke snoekbaars in het kunstlicht. Als hij zijn stekels opzet, klinkt er een welgemeend applaus.

DE WEDSTRIJD – KADER
Die zaterdag deden Hessel en Wonko dus mee aan een viswedstrijd rondom het IJ. Dit waren die dag de regels:
De eindscore is het aantal gevangen centimeters ‘maatse’ vis;
Er mag alleen met kunstaas (shads) gevist worden, niet met brood of lokaas.
Fietsen, rolschaatsen en andere vervoermiddelen zijn verboden.
Elke vis moet worden vastgelegd met één camera, met op beeld het wedstrijdbandje en het hoofd van de vanger.
Zit er zand op de vis, dan is deze gevallen en volgen er strafpunten.

Hessel en Wonko vingen niet genoeg voor een podiumplek. Wonko haalde wel de grootste baars binnen en won daarmee een pakket met kunstaas.