Column: Robotrots

Mijn tweewekelijkse column op AmsterdamFM – Radio Dr’op. Dit keer een gedichtje over een robotrots.

Schermafbeelding 2014-01-13 om 16.37.44

Robotrots

Was ik maar een robotrots
Maar dat ben ik niet
Ik ben een pinguïn
Een rotspinguïn, dat wel
Maar geen robotrots
En zelfs geen robotrotspinguïn
Nee, ik leef gewoon
Het enige wat mij aanstuurt
Is mijn maag dat ik moet eten
En mijn intuïtie dat ik moet paren

Daar moet ik het van hebben
Daar moet ik het mee doen
Maar zelfs dat is nijpend
Ik probeerde zojuist aan te pappen
Met een vrouwtjespinguïn
Blijkt het een robotvrouwtjespinguïn te zijn
Mijn gevoel is gekneusd
Mijn geslacht ook
Niet om te lachen
Probeer zelf maar eens je geslacht
In een robotvrouwtjesrotspinguïn te stoppen
De klap valt nog wel mee
Maar de randjes zijn scherp

Ik schaam me kapot
En iedereen lacht
Ook Jeanet, oe la la
De heetste pinguïn van het zuidelijk halfrond
Ik denk terug aan de tijd
Dat ik streed om haar vleugel
Jeanet, retteketet
Dat was mijn lokroep
Jeanet, retteketet
Jeanet, retteketet
Ik riep het urenlang
Met mijn mooiste gekwetter
Maar er kwam geen Jeanet
Laat staan retteketet
Jeanet zat bij John
Rom bom bom
En nog steeds zijn die twee
Het keizerskoppel van de rotspinguïns

John wijst nu naar mij
Haha, roept hij, hihi
Je bent er ingetuind, Fred
Je hebt jezelf voor schut gezet
De mensen van de BBC
Zowel van BBC één, twee, als drie
Zetten je voor aap, pinguïn
In zo’n robot krijg je ‘m nooit in

Klote John, met zijn rijmpjes
De poëzie waarmee hij
Een plek verovert in het hoofd van de vrouwtjes
Soms wens ik dat ik John ben
Maar vaker een robotrots
Maar ik ben geen robotrots
Ik ben niet eens een robotrotspinguïn

Toch blijf ik bij haar
Mijn robotvrouwtjesrotspinguïn
De seks valt misschien tegen
Ze zeikt tenminste niet
En de mannen van de BBC
Hebben haar een ei gegeven
Geen gewoon ei, moet je weten
Een robotei, van haar en mij
Uitkomen zal het niet
Maar dat geeft toch alleen gelazer

John zal wel lachen
En broeden op zijn volgende rijmpje
Waarmee hij mij kleineert
En de vrouwtjes op zijn vinger windt
Was ik maar een robotrots
Dan reed ik dwars over John heen
En dan, terug in z’n achteruit
Een keer of honderd of duizend
Tot hij zo plat is als een vloerkleed
Dan hang ik hem aan de muur
Van het nest van mij
En mijn robotvrouwtjesrotspinguïn
En van Jeanet
Jeanet, retteketet
Jeanet, retteketet